bobevers.nl
Sinds 1997
 
Home
Home.
De avonturen van Jan, Bob en Arie.
Nieuws.
Meest recente wijzigingen.

Overige
Zoek een echte Bob Evers
De Bob Evers-community op Facebook
Boeken & stripalbums
Geschiedenis
Titels van de leesboeken
Titels van de stripalbums
Recensies
Boeken óver de serie
Omslagafbeeldingen
Rubriek Fans
Bijeenkomsten...
Sites | Doorzoek sites
Mailinglist
Nieuwsbrief
Encyclopedie
Veldonderzoek
Monumenten
Bob Evers-boeken verzamelen
Het Bob Evers-genootschap
Je bent hier:
||
 

Hoe krijgen we Jan Prins terug?


Het eerste hoofdstuk van deel 52. Copyright (c) 2011 bij Peter de Zwaan.

In het midden van de immense eetzaal aan boord van het cruiseschip SeaRose was een ronde tafel extra feestelijk gedekt. Het tafelzilver glansde net iets meer dan het zilver op de omringende tafels, de glazen flonkerden zo dat je je ogen samenkneep als je er naar keek en de flessen drank stonden zuiver in het gelid. Op anderhalve meter van de tafel stonden een maître ‘d, een ober, een assistent ober en een wijnober kaarsrecht naast elkaar met de handen op de rug en de ogen gericht op een stevige man met een verweerd gezicht die probeerde te kijken of hij hield van plechtige gebeurtenissen. Af en toe glimlachte hij, meestal nadat hij een snelle blik had geworpen op twee jongens die tegenover hem zaten, de dikste geperst in een smoking die iets te klein was waardoor hij moeite had met inademen, de andere met een gezicht waarop was af te lezen dat hij een diep verlangen had naar ongeveer elke plaats op aarde waar het begrip cruiseschip onbekend was. De man met het verweerde gezicht droeg de naam Holdert en hij was kapitein van de SeaRose. De jongens luisterden naar de namen Arie Roos en Bob Evers en ze zaten erbij of ze een studie maakten van het vlekkeloze damasten tafelkleed.
Af en toe klonken er zuchten. De diepste waren van Arie en elke zucht van hem leidde tot een zacht gegrom van kapitein Holdert en verstoorde blikken van de vier andere personen aan de tafel die zich afvroegen hoe een dikke jongens er in slaagde elke minuut drie mini-windhozen over de tafel te blazen. De man tegenover Arie, een Mexicaanse miljonair die samen met zijn dochter op stap was, klemde elke keer als hij een hoos zag aankomen zijn glas vast om te voorkomen dat de wijn over de rand schuimde. Het Amerikaanse stel dat rechts van Holdert zat sprak vooral met elkaar en met de kapitein en negeerde de jongens volkomen. De twee behoorden tot de groep mensen die jaarlijks vijf of meer cruises maken en ze hadden na één blik vastgesteld dat Arie en Bob geen deel uitmaakten van de passagiers met wie rijke cruise-ervaringen konden worden uitgewisseld.
‘Formal day,’ zei Bob toen hij een stukje brood had besmeerd met uienboter. ‘Formele dag. De dag waarop alle passagiers op hun best gekleed behoren te gaan. Ik kan er de klinkklare lol niet van inzien.’
Arie keek uit zijn ooghoeken naar een tafeltje in de hoek van de eetzaal. ‘Daar zit een groep mensen die zich niets van de kledingregels heeft aangetrokken en zo te horen hebben ze daar een stuk meer plezier dan wij hier.’
‘Als ik ooit weer een cruise maak dan blijf ik op de formele dagen in mijn hut, dat kan ik je nu al garanderen.’
Arie gromde zacht. ‘Besef jij wel, jongeheer Evers, dat ik, nog geen week geleden, op eenzelfde manier opgeprikt zat? Dat was in een zaal in Amsterdam, kort voor dit dolle avontuur met mensensmokkelaars en premiejagers begon.’
‘Kun je zeggen dat je ervaringsdeskundige bent, dikke. Voor mij is het de eerste keer en het valt me niet mee. Zogauw ik weet wie de smoking heeft bedacht ga ik een praatje met hem maken. Samen met een eind hardhout. Maar we hadden het kunnen weten.’
‘Wat, Bobbie.’
‘Dat jouw vader ons niet op een plezierreisje zou sturen. Ga even naar San Diego in de staat Californië en kijk wat rond op de SeaRose, zei hij. Haha. We hadden kunnen bedenken dat er een dubbele bodem onder het verzoek zou liggen.’
‘Een driedubbele,’ zei Arie die een nieuwe zucht loosde en de Mexicaan naar zijn glas zag grijpen. ‘Een driedubbele met eronder een grasveld vol adders. En wat is het resultaat? Dat we hier zitten, samengeperst in kleren die ons niet bevallen, aan een tafel met mensen die we nooit weer hopen te zien en onder toezicht van een kapitein die zit te hopen dat we morgen van boord gaan en niet terugkeren.’
‘Met dat laatste zal ik hem volgaarne helpen,’ zei Bob. ‘Ik wil van boord, hoe sneller hoe liever en ik kan heel goed leven zonder Holdert. Maar voor het zover is zullen we ons door dit hele diner heen moeten roeien. Hoeveel gangen heeft het eigenlijk?’
‘Minstens vijf,’ zei Arie, terwijl hij een broodje pakte, wachtte tot niemand naar hem keek en het in één keer in zijn mond schoof. ‘Captains dinner. Het diner van de kapitein. Wat een plezie…’ Hij hield snel een hand voor zijn mond om de stukjes brood op te vangen die zijn mond uit schoten. ‘Sorry. Men sproeit geen brood als men aanzit aan het kapiteins diner.’
‘Het wordt beschouwd als niet in de haak,’ zei Bob.
‘Onbeschaafd?’
‘Afgaande op het gezicht van de dochter van die Mexicaan wel, ja Weet je zeker dat je haar niet hebt geraakt?’
Arie keek snel naar de vrouw die haar gezicht zat te deppen met haar servet en werd langzaam rood. ‘Zie jij wat ik zie, Bob?’
Bob zag het ook en hij voelde zich warm worden. Een klein stukje brood overleefde het deppen en bleef zitten, net naast de neus, ongeveer op de plek waar fotomodellen een zwarte stip zetten omdat ze denken dat ze er mooier door uitzien. Sommige modellen doen dat inderdaad, maar deze vrouw niet. Het stukje kleefde niet ver van een van haar neusvleugels en omdat die tamelijk breed waren leek het of de neusvleugel er contact mee maakte. Als ze haar bovenlip optrok vormde de vleugel een soort afdak boven het stukje alsof het het brood wilde beschermen.
Bob keek er naar met grote fascinatie en na een poosje volgde kapitein Holdert zijn blik.
Arie zag hem bleek worden en een beweging maken of hij het stukje wilde wegvegen. Halverwege de beweging verstijfde hij, blijkbaar beseffend dat het geen gewoonte hoort te zijn van kapiteins om de gezichten van hun gasten op te poetsen.
Arie hoorde hem binnensmonds grommen en zag hem met een wilde blik naar hem en Bob kijken, alsof hij hen beide verantwoordelijk stelde voor een situatie die voor een ordentelijke cruisekapitein meer dan ongelukkig was.
Arie wist wat Holdert dacht en hij wist voldoende van de gang van zaken op plezierschepen om met hem mee te voelen. Kapiteins van drijvende kastelen met honderden passagiers behoren zich minstens één avond in de week met de gasten bezig te houden. Er zijn kapiteins die het vaker doen, maar de meeste blijven het liefst op de brug en laten de contacten met de passagiers over aan de hotelmanager of de eerste stuurman. Kapitein Holdert behoorde tot de laatste soort en elke captains day was hem een kwelling. Op een cruise van een week of meer zijn er minstens twee formal days waarop de smokings en de avondjurken uit de kast kunnen. De meest officiële formele dag wordt captains day genoemd, kapiteins dag, en op die dag geeft de kapitein van een cruiseschip, gestoken in galakleding, een receptie waarop hij zich op de foto laat zetten met iedere gast die daar behoefte toe voelt. Meestal duurt de receptie een paar uur en er is geen minuut bij waarop een kapitein niet doet of juist deze receptie de mooiste van zijn leven is. Als de champagne op is gaat hij naar de eetzaal om daar aan te schuiven aan de mooiste tafel waarover het schip beschikt, samen met de belangrijkste gasten, miljonairs zoals de Mexicaan en zijn dochter, of geharde cruiseliefhebbers zoals het Amerikaanse stel dat bezig was aan de 23ste tocht over de wereldzeeën. Dat Bob en Arie een plaatsje aan juist deze tafel hadden gekregen had twee redenen. De belangrijkste was dat kapitein Holdert een oog op de jongens wilde houden die hij zag als eersteklas addergebroed. De tweede reden bestond uit het feit dat het verhaal dat een passagier van de verdrinkingsdood was gered door een jongen die het vuile water van de haven van Acapulco was ingedoken als een lopend vuurtje was rondgegaan, vergezeld van verzinsels over drugssmokkelaars en illegale Mexicaanse immigranten. Niemand wist daar het fijne van, maar dat was geen bezwaar: een verhaal laat zich het best aandikken als je geen last hebt van feiten.
Kapitein Holderts enige wens op captains day was dat de dag gladjes zou mogen verlopen en daar hoorden beslist geen stukjes brood bij die aan het gezicht kleefden van een miljonairsdochter die om de haverklap op de foto werd gezet door gasten die een herinnering aan de feestelijke tafel wilden hebben. Als de dochter 12 of 13 jaar was geweest zou kapitein Holdert zich hebben kunnen redden met een grapje en een opmerking tegen pa over knoeiende kinderen, maar in dit geval kon daar geen sprake van zijn.
Bob zat aan iets dergelijks te denken toen hij zich opzij boog en fluisterde: ‘Volgens mij knapt die dame erg op van die vlek naast haar neus. Hoe oud denk je dat ze is?’
‘Achter in de vijftig?’
‘En pappie is 86 of zoiets. Hij kraakt als hij beweegt. Ho, zie je dat?’
Arie zag het en hij voelde bijna de opluchting van kapitein Holdert. Het stukje werd na het maximaal optrekken van de bovenlip geraakt door de neusvleugel en viel via de schouder op de tafel. De vrouw wreef over haar neus alsof ze iets voelde kriebelen en keek naar kapitein Holdert die zijn gezicht in de plooi hield en een verhaal begon over de geneugten van het varen langs Mexicaanse kusten.
‘Ook weer opgelost,’ zei Bob. ‘Zo gaat het met bijna alles, rooie. Gewoon geen aandacht aan schenken dan gaat het vanzelf over.’
‘Vertel dat vanavond maar aan onze kapitein. Ik vrees dat hij er anders over denkt.’
‘Hij is blij dat we niet zijn opgestaan om het stukje van de wang te pikken.’
‘Zoals we dat deden met knikkeren, bedoel je?’
Bob onderdrukte een lach. ‘Met je wijsvinger langs je duim. Ik probeer het wel eens met vliegen.’
‘Nog even en ik probeer het met kruimels die op mijn bord liggen. Ik dacht dat we hier zaten voor een perfecte maaltijd.’
‘Daarvoor moet je eerst honger lijden,’ zei Bob. ‘Volgens mij letten de obers vooral op jou omdat je de volvetste aan boord bent. Het scheelt weinig met sommige van de andere gasten, maar je wint het nog net.’ Hij wees naar het viertal dat met de handen op de rug had staan kijken. ‘Er komt beweging in de club.’
‘Niks te vroeg. Ik zat net te denken aan iets drastisch.’
‘Op voedselgebied?’
Arie loosde zijn zoveelste zucht, grijnsde toen de Mexicaan zijn langzamerhand automatische beweging naar zijn glas maakte en streek over zijn maag. ‘Tot nu toe heb ik alleen mini-kadetten gehad. Plus 83 lekkere luchten die vanuit de keuken of de lift waarin het eten vanuit de keuken wordt aangevoerd door deze zaal drijven. Maar van lekkere luchten alleen kan mijn motor niet draaien.’
‘Daarom denk jij aan iets drastisch. Iets als naar de keuken rennen en alle planken leeggrazen zodat voor de rest van de passagiers niets over is en ze zich op kapitein Holdert storten?’
‘Eerder iets als overboord springen,’ zei Arie. Hij veegde de glimlach van zijn gezicht en keek ernstig. ‘En dan terugzwemmen naar Acapulco. Ik wil weten wat Jan uitspookt. Het is de eerste keer dat we een opdracht hebben volbracht zonder dat we dat met ons drieën kunnen vieren. Het leek vanmiddag heel logisch, wij op het schip en Jan in Acapulco, maar het resultaat is dat we volkomen uit elkaar zijn geslagen en dat we daar niets aan kunnen doen omdat er geen enkele vorm van communicatie mogelijk is. Besef je dat, jonge Evers.’
‘Al te goed, bolle, en bij elke zeemijl die dit schip aflegt wordt de afstand groter. Wij kunnen Jan niet bereiken omdat onze mobieltjes geen bereik hebben en Jan kan ons niet bellen om dezelfde reden.’
Arie veegde een paar kruimels bij elkaar met een vochtige vinger en stopte ze in zijn mond. ‘Dit schip heeft een gps-systeem. We kunnen bellen, maar …’
‘… dan is er grote kans dat onze kapitein ervan hoort en meeluistert of laat luisteren. En dat willen we niet.’
‘Dat willen we zeker niet,’ beaamde Arie. ‘Wis en zeker onder geen voorwaarde willen we dat.’ Hij zette aan voor een zucht, zag de Mexicaan naar zijn glas grijpen en knikte vriendelijk naar kapitein Holdert die keek alsof hij aanvoelde dat over hem werd gesproken. ‘Honger,’ zei hij. ‘Van mijn moeder mag ik geen honger zeggen. Ze zegt dat ik hooguit trek heb, maar mijn maag noemt het honger. Denkt u dat we vanavond ….’
‘Nu,’ zei Holdert strak. ‘Caesar salade voor je vriend en slakken voor jou. Ik heb meteen twee porties escargots laten komen, want ik wil dat je goed gevoed wordt vanavond.’
‘Dank u zeer,’ zei Arie aangedaan.
‘Dan weet ik tenminste zeker dat je blijft drijven nadat ik je overboord heb geschopt omdat je de hele avond zit te smiespelen en brood zit te sproeien. Ik denk wel dat ik je vader uit kan leggen dat je een gevaar voor de belangrijkste gasten aan boord van dit schip bent.’ Hij ging met een ruk staan, streek zijn pak glad en dwong zijn gezicht tot een glimlach. ‘Iedereen is voorzien, zie ik. Dan wens ik u, mede namens reder Roos en de gehele bemanning, smakelijk eten aan boord van het prachtige cruiseschip SeaRose.’

Tweeënhalf uur later liet Bob Evers zich kreunend op het bed in hut 735 vallen.
‘Het duurt even, maar dan krijg je ook wat,’ zei hij terwijl hij zich uit zijn smoking wurmde. ‘Ik heb genoeg gegeten voor drie dagen. Wat doen we met deze kleren?’
‘In de badkamer leggen,’ zei Arie die diep ademhaalde nadat hij het vlinderdasje had verwijderd. ‘Gewoon op de natte handdoeken leggen, deze martelkledij. Of overboord zwiepen.’
‘Krijg je ruzie met de man die ervoor moet zorgen dat er niets in de plomp wordt gesmeten. Zo iemand hebben ze aan boord, echt waar.’
Arie trok een wenkbrauw op. ‘Hoe denkt hij dat voor elkaar te fiegelieren?’
‘Geen flauw idee. Misschien duikt hij de oceaan in als hij een papiertje met het opschrift SeaRose ziet, weet jij veel?’
‘Weet jij veel, weet ik veel,’ neuriede Arie die zijn broek naar de plek mikte waar zijn schoenen lagen. ‘Ik geloof waarachtig dat ik nog een gaatje heb. Door die broek en dat vest dacht ik werkelijk dat ik aan mijn tax zat, maar nu …’ Hij rolde zich om tot hij bij het koelkastje naast het bed was, opende het en trok een harde worst van 25 centimeter te voorschijn waar hij in alle rust het velletje van af peuterde.
Bob hijgde licht terwijl hij toekeek. ‘Honger? Heb jij …’ hij gaf een tik tegen de wand bij elke lettergreep. ‘Heb jij hon-ger, jij vraat-zuch-ti-ge pot-vis? Jij hebt twee porties slakken op, plus de Black Tiger garnalen die de dochter van die Mexicaan bij nader inzien niet bliefde, daarna een stuk geroosterd vlees waar ze de tafel bijna voor moesten verlengen, geserveerd met salade, sinaasappels en een soort frites waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Vervolgens twee Seberian omeletten, een bak ijs en cola omdat meneer vond dat er te weinig koffie in de kopjes kon. En nu nog hon-ger?’
‘Trek,’ zei Arie. ‘Honger mag niet van me moe.’
Bob keek vol afgrijzen naar de worst. ‘Ik kan geen voedsel meer zien.’
‘Kun je beter niet naar me kijken,’ zei Arie die een hap nam. ‘Prima worst. Hoogstpersoonlijk gebietst in de keuken. Ze keken een beetje raar toen ik binnenliep, maar ja, stuur de zoon van de baas maar eens weg.’
Bob maakte wurgbewegingen met beide handen. ‘Dus, jij verwaten reuzelrol, hebt een potje lopen opscheppen.’
‘Nee hoor,’ zei Arie terwijl hij de stukjes worst nakeek die door de lucht vlogen. ‘Ik kan nu geen Mexicaanse dochters van een miljonair raken dus mij kan niets gebeuren. Nee hoor, zei ik, ze wisten niet direct wie ik was, maar toen ik vertelde dat ik het vriendje ben van die dappere Amerikaanse jongen die een Mexicaanse boef van een gruwelijke dood heeft gered kreeg ik zes stukken worst en drie hompen kaas aangeboden. En een appel. Die heb ik voor jou meegenomen, voor als je vitaminegebrek krijgt.’
‘Als ik tekort krijg aan vitaminen neem ik een hap uit een van je kuiten,’ zei Bob dreigend. ‘Daar zitten alle voedingsstoffen in die jij over hebt. In je kuiten en in je buik. Jij kunt bovendien wel een pondje missen, beter dan die man in Venetië waar Shakespeare ooit over schreef. Aan een Roos zo volgehangen mist men een, twee pondjes niet. Wat ik alleen niet snap is waarom je nu al eet. Je hebt van alles een dubbele portie gekregen. Als waardering voor wat we de afgelopen dagen hebben gepresteerd. Ik hoorde het de kapitein tegen het Amerikaanse duo zeggen.’
Arie liet het restant worst voor zijn mond zweven. ‘Zei hij dat echt?’
‘Echt en eerlijk. Volgens mij is hij diep in zijn hart trots op wat we hebben bereikt. De kans dat hij zijn baan houdt is er ook heel wat groter door geworden.’
‘Omdat hij nu maatregelen kan nemen tegen het meevaren van verstekelingen, bedoel je.’
‘Precies, dikke. Ga maar na wat we voor elkaar hebben gebokst sinds de avond waarop jouw pa ons op een duistere missie stuurde.’
Arie knikte kort en legde de worst weg. Het werd tijd om een paar zaken serieus samen te vatten en een plan te maken voor fase twee van een avontuur waarin ze hals over kop door pa Roos na samenspraak met de vaders van Jan en Bob waren gestort. ‘Juist door het vage van de missie hebben we resultaten bereikt. We hadden geen idee wat van ons werd verwacht en daardoor stapten we niet met vooroordelen en zinloze plannen aan boord van dit schip.’
Bob gaf een knor. ‘Voor we het schip zelfs maar hadden gezien voelden we aan ons water dat er iets scheef zat met een Mexicaan die Antonio Rivas werd genoemd en een bonk van een Amerikaanse premiejager die de naam Bruce Jonaths bleek te dragen.’
‘Aan ons zeewater,’ beaamde Arie. ‘Schuimend zeewater vol Mexicaanse familieleden met de achternaam Rivas, broers, neven, vrouwen en afgelopen middag op die markt in Acapulco waarschijnlijk ook nog een horde achterneven en verdere vage verwanten. Het was daar een beste kloppartij die makkelijk verkeerd had kunnen aflopen.’
‘Maar het niet deed, dikke, en dat is wat telt. Antonio Rivas kwam als verstekeling aan boord van dit schip en wij ontdekten hoe hij dat klaarspeelde. We vingen bovendien de man die hem vanaf Salt Lake City achterna zat met het doel hem terug te brengen naar de rechtbank in die stad waar hij voor een koppeltje rechters uit moet uitleggen hoe hij minstens zes bedrijven heeft kunnen oplichten.’
‘Voor om en nabij vijf miljoen dollar, volgens Bruce Jonaths. Ik zou wel eens willen weten welke bedrijven zo stom waren hem hun geld toe te vertrouwen.’
‘Antonio is accountant. Accountants gaan nu eenmaal om met geld.’
‘Deze anders wel heel handig. Hij sluisde het naar zijn eigen rekening. Ergens bij een bank op de Bahama’s of op de Cayman Islands, wat ik je brom.’
‘Je bromt maar een eind weg. Belangrijker is dat Jan niet meer te houden was toen hij het bedrag van vijf miljoen hoorde. Antonio Rivas werd voor hem op slag De Man Van Vijf Miljoen. Met hoofdletters. Jan is van plan een aanzienlijk deel van dat bedrag in handen te krijgen.’
‘Premiejager Jonaths heeft een papier getekend waarop staat dat hij Jan 30.000 dollar betaalt als onze Prins hem helpt Antonio te pakken en in de staat Utah af te leveren.’
‘Alsof zo’n papiertje iets zegt en als iemand dat weet is het Jan. Hij vertrouwt Jonaths voor geen Amerikaanse penny en geen halve Mexicaanse pesos. De man is niet verder te vertrouwen dan we hem zien en aangezien dit schip met een snelheid van 21 knopen vaart wordt dat zien 21 zeemijl in het uur moeilijker.’
‘Hoeveel is een zeemijl ook weer?’
Dat wist Bob op een prik. ‘1852 Meter. In een uur is dat ...,’ hij sloot zijn ogen terwijl hij rekende, ‘ bijna 39 kilometer. Aangezien we al een uur of zes varen is de kans dat we Jonaths spoedig in het oog krijgen verwaarloosbaar klein.’
Arie rolde zich op zijn rug en keek naar het plafond. ‘Ik zie daar een vlekje. Hebben ze ook iemand aan boord die vlekjes wegwerkt?’
‘Minstens 72 personen, bolle, en dat weet je. Maak nou geen geintjes. Wij drijven hier en Jan is ergens ver achter ons. Met een premiejager die hij niet kan vertrouwen en woedende leden van de familie Rivas die een paar ton citroenen met ons te schillen hebben. Door ons toedoen zitten twee personen op dit schip in een soort primitieve cel en is er ruzie tussen een aantal familieleden die, al dan niet voorzien van builen, in of bij Acapulco naar elkaar op zoek zijn.’
‘Dat laatste weet je niet, maar vermoed je.’
‘Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Antonio Rivas is door zijn broer Eduardo en diens vrouw Cristina van San Diego naar Mexico geholpen. Cristina zit vast op dit schip en Antonio is verdwenen voor hij Eduardo voor diens diensten heeft betaald. Een andere uitleg kan ik niet geven voor de ruzies die in Acapulco zijn ontstaan.’
‘Dus,’ zei Arie die voorzichtig zijn buik masseerde, ‘moeten we er vanuit gaan dat Antonio ergens ronddoolt en dat niet alleen premiejager Bruce Jonaths, maar ook een deel van zijn familie naar hem op zoek is.’
‘Spijker op de kop, dikke. Net als Jan. Hij volgt het spoor van Jonaths en als die kans ziet zich de woede van een stel Rivassen op de hals te halen dan zit Jan voor hij het beseft midden in een Mexicaans-Amerikaanse mini-oorlog. En reken maar dat het misgaat, want Jonaths ziet er wel stoer uit en hij doet ook heel stoer, maar het kost hem moeite om door te krijgen dat een Mexicaan achter de kladden zitten in Mexico echt iets anders is dan een Mexicaan volgen in de USA. Hij kan wat dat betreft heel wat van ons leren. Alleen doet hij dat niet.’
Arie schoot in de lach. ‘Nooit en te nimmer.’
‘Voor geen geld.’
‘Omdat grote, stoere mannen nu eenmaal weigeren iets te leren van jongens die in hun ogen groener zijn dan het kunstgras op de minigolfbaan op het bovendek van dit schip. Dat weten we maar al te goed.’
Bob maakte een grommend geluid. ‘We weten het en laten we het alsjeblieft onthouden. Jonaths begaat vroeg of laat een stommiteit en als Jan dan in zijn buurt is kan er ik weet niet wat gebeuren. Ik zou tegen die tijd graag in de buurt zijn om een handje toe te steken.’
‘Twee handen,’ zei Arie. ‘En voeten. Mijn buik desnoods. Maar daar kunnen we natuurlijk over doorzeuren tot we een ons wegen … wat nou weer.’
‘Heb jij enig idee hoelang het duurt voor jij een ons weegt. Zolang mag het echt niet duren hoor, voor we Jan terug hebben.’
Arie bewoog tot hij de worst te pakken had en nam een hap. ‘Alleen een Roos die eet is zijn gewicht in pesos waard,’ zei hij waardig. ‘Weten we zeker dat we Jan terug willen? Het is wel lekker rustig zo. Ik heb al tien uur lang niemand over geld horen klagen.’
‘Aan boord van dit schip klaagt Jan overigens opvallend weinig over geld hoor. Alles is gratis.’
‘Behalve de cola dan altijd. Jij was er niet bij, maar hij plengde hete tranen toen hij cola had besteld en hij na de eerste slok hoorde dat hij ervoor moest betalen. Hij heeft precies een uur en 47 minuten over het leegdrinken van het glas gedaan. Ik heb het geklokt.’
‘Na drie dagen zonder Jan gaan we zelf over geld zeuren, dat verzeker ik je. Gewoon, omdat we aan dat soort geklaag gewend zijn en het niet meer kunnen missen.’
‘Klaagverslaving, bedoel je.’
‘Zoiets, dikke. Of Prinsverslaving en probeer daar maar eens af te komen. Ik wil hem terug.’
Arie peuterde aan een stukje worst dat tussen zijn kiezen zat. ‘De smaak is goed, maar een stukje dat klem zit krijg je bijna niet te pakken. Morgen zijn we in een oord dat Huatulco of zoiets heet en daar gaan we van boord.’
‘En dan, dikke. Zwemmen we terug naar Acapulco, of liften we mee met een cruiseschip dat die kant op gaat?’
‘Dan bellen we Jan. Als hij opneemt horen we waar hij is. Dat hoeft helemaal Acapulco niet meer te zijn. Als Jonaths Antonio bij de kladden weet te krijgen sleurt hij hem mee richting de Verenigde Staten, maar als Antonio nog steeds vrij man is dan is hij misschien nu op weg naar Mexico City of naar een dorp in het binnenland.’
‘Dus …’
‘Dus gaan we slapen, Bobby. Zorgen maken is zinloos en kost energie. Jan kan zich redden. Krijgen we hem niet te pakken dan vliegen we naar Acapulco en proberen we daar zijn spoor op te pikken. Neemt hij de telefoon op dan doen we wat hij ons zegt te doen. Omdat de ervaring leert dat we uren en uren slaap tekort komen als we eenmaal aan het rondraggen zijn stel ik voor dat we gaan maffen. Dit bed heeft een Pullmanmatras en daar lig ik voortreffelijk op.’
‘Wat doe ik. Blijf ik hier of ga ik naar hut 781?’
‘Jij gaat naar je eigen hut,’ zei Arie. ‘Niet omdat niemand mag weten dat we elkaar kennen, want dat opzetje is grondig mislukt, maar omdat je soms snurkt.’
‘Ronken,’ zei Bob verontwaardigd. ‘Ik schijn soms een bescheiden ronkje te hebben. In het niet vallend bij de geluiden die jij ’s nachts maakt. Ik ronk door mijn neus, jij snurkt door je buik.’
‘Dat heet verteren,’ zei Arie. ‘Scheer je weg, eigenwijze yank, en droom van Rivassen die koffers met dollars torsen of die zichzelf te water laten. Morgen gaan we aan wal en dan horen we, naar ik vurig hoop, hoe het Jan is vergaan.’
‘Vast niet zo relaxed als ons,’ zei Bob.
Arie klopte op zijn buik. ‘Zeer waarschijnlijk niet, maar de lucht van vijf miljoen dollars houdt Jan dagenlang in topvorm. Je kent hem: als hij droomt van geld is hij gelukkig en Jan hoeft beslist niet te slapen om van geld te kunnen dromen.’
‘Zolang hij maar niet in dromenland is omdat Antonio Rivas of een van zijn familieleden een serie bulten op zijn Prinsenschedel heeft geslagen. Dat is waar ik me toch een beetje zorgen over maak, dikke.’
‘Ik ook,’ zei Arie ernstig. ‘We hadden de zaak anders moeten aanpakken, maar nu kunnen we er niets aan veranderen en daarom zeg ik: tabee en slaap ze. Trek wel eerst je smoking aan, de gasten op dit schip zijn niet van het slag dat ze zonder hulp van een psychiater een halfontblote jongen op spillebenen kunnen verwerken.’ Hij draaide zich op zijn zij, gaapte tot het schilderij aan de muur bewoog en sloot zijn ogen.
Bob Evers bleef enkele ogenblikken onbeweeglijk staan, haalde zijn schouders op, mompelde iets en grabbelde zijn kleren bij elkaar.
Vijf minuten later klonk er geronk uit neus en buik in de hutten 735 en 781.