De Bob Evers-serie:
De avonturen van Jan Prins, Bob Evers en Arie Roos.
Feuilletons, boeken en stripalbums.

> Boeken: Verhalenbundels

 

Recensie bij "Een trio en drie dubbele duo's"

Een trio en drie dubbele duo'sPETER DE ZWAAN
Een trio en drie dubbele duo's
De tweede Bob Evers-verhalenbundel (met vier korte verhalen).

Duo’s? Trio’s? Gaat De ZwaanVan der Heide nou ook op dat gebied achterna?

Door Schout-bij-kunstlicht Spook

Het dreigt een pracht van een traditie te worden: Peter de Zwaan verblijdde ons dit voorjaar wederom met twee reguliere Bobjesen één verhalenbundel! De officiële titel van de tweede bundel is „Een trio en drie dubbele duo’s”. Honi soit qui mal y pense: natuurlijk waren er op facebook weer bijdehandjes die de titel meteen een seksuele lading gaven en serieus dachten dat Peter Willem zou navolgen door ook een begin te maken met „ondeugende” lectuur. En dat nog wel met onze drie helden!

Wees gerust, dames en heren, de titel slaat alleen op de samenstelling van het avonturierende gezelschap: in de eerste verhalenbundel gingen Jan, Bob en Arie driemaal solo op het glibberige pad van avontuur en eenmaal als drietal. Eén lezer vond dat er te weinig interactie zat in die eerste bundel. Tja, als je alleen op avontuur uit gaat, valt er weinig te interacten, nietwaar? Peters antwoord viel in twee delen uiteen: ten eerste een column waarin hij de teleurgestelde lezer van repliek diende en ten tweede een meesterlijke nieuwe bundel, waarin eerst Jan en Arie, vervolgens Bob en Arie, daarna Jan en Bob (de drie duo’s uit de titel) en in het vierde verhaal weer eens gezamenlijk (het trio) op avontuur gaan.

Inderdaad, het betreft wederom vier verhalen, die achtereenvolgens in Amsterdam, in Springfield en Branson (Missouri), Coney Island (New York) en op Bermuda spelen. Het eerste verhaal laat meteen al duidelijk zien hoe de avonturen van Jan, Boben Arie met hun tijd mee zijn gegaan: waar het vroeger minstens om muiters, juwelendieven of mensensmokkelaars ging, hebben Jan en Arie in Amsterdam eerst te maken met tasjesrovende en zakkenrollende Oost-Europeanen en later met afpersing van voormalige geliefden te maken. Het tweede verhaal speelt zich af op en rond de luchthaven van Springfield, waar Arie’s plunjezak wordt gestolen; een tamelijk onwaarschijnlijk en warrig verhaal over een prototype dat in net zo’n plunjezak zat, volgt. Voor mij persoonlijk het minst leuke van de vier verhalen, maar goed: wie ben ik? Een ander zal wellicht andere voorkeuren hebben.

Het derde verhaal is weer helemaal van deze tijd. Het toont aan dat ook in Amerika de integratie niet overal voor de volle 100% geslaagd is en dat bepaalde bevolkingsgroepen een staat binnen een staat vormen.In dit geval krijgen Jan en Bob te maken met grote groepen Oekraïense en Russische immigranten in de wijk van Coney Island, die bekend staat als„Little Odessa”. Zij hebben ruzie met twee verwende Amerikaanse blagen die er alles aan doen om de immigranten het leven zuur te maken. Je voelt duidelijke de spanning wanneer de politie –zelf van Oekraïense afkomst –de jongens adviseert om zich er verder niet mee te bemoeien en te verdwijnen uit de wijk. Jan en Bob zien dat natuurlijk juist als een aansporing om verder te gaan met hun speurtocht naar de Amerikaanse vlegels, hetgeen samen met hun Oost-Europese vrienden uiteindelijk lukt, zij het op een tamelijk onorthodoxe manier. Niet de gebruikelijke onorthodoxe wijze waarop de drie jongens nu al 63 boekdelen (plus bundels) te werk gaan, maar daarom niet minder effectief. De vele Russische woorden en zinnen die Peter de immigranten laat zeggen geven het verhaal een interessant exotisch tintje, net zoals wijlen Willem dat vroeger deed met Engels, al moet mij van het hart dat Algemeen Beschaafd Engels (of desnoods Amerikaans) toch iets makkelijker te behappen is voor een gewone Hollandse jongen van de vlakte, zoals ik...

In het laatste verhaal treedt ons drietal eindelijk weer gezamenlijk ten strijde. Misschien had Peter het verhaal oorspronkelijk wel gepland als onderdeel van de vorige verhalenbundel: „Botsingen met oude bekenden”, want ook hier treden (op de achtergrond) twee oude bekenden op, namelijk Millard Fillmore en Jane Nash. Inderdaad: in tegenstelling tot de vorige bundel oude bekenden uit de „De Zwaan”-delen en niet uit de „Van der Heide”-delen: leuk! De drie jongens worden ingehuurd om hun intrek te nemen in een peperduur hotel opBermuda om de diefstal van duik-en filmapparatuur tegen te gaan, hetgeen uiteindelijk natuurlijk lukt, maar de manier waarop dat gebeurt, verklap ik niet. Lees zelf maar! Opvallend is dat er niet één keer gegrapt wordt over Arie’s omvang en de Bermuda-driehoek, zoals dat bijvoorbeeld wel in„Arie Roos als ruilmatroos”gebeurde, en dat een oeroud boekje uit de stad van Schenk en de Kleppe Brothers een opvallende rol speelt in dat laatste verhaal, zonder meer het leukste van de vier!